Etheen is een gas. Polyethyleen is een plastic zak. Het verschil zit hem in de polymerisatie. Etheen is een monomeer, een klein molecuul dat zich kan binden aan andere monomeren om een polymeer te vormen. Het woord komt van het Griekse monos, wat enkelvoudig betekent, en meros, wat deel betekent. Monomeren zijn de bouwstenen van kunststoffen, eiwitten en nucleïnezuren.
Monomeren hebben minstens één functionele groep waardoor ze met andere monomeren kunnen reageren. Alkenen polymeriseren door additie, waarbij de dubbele binding openbreekt en zich verbindt met een ander monomeer. Aminozuren polymeriseren door condensatie, waarbij een watermolecuul vrijkomt en een peptidebinding ontstaat. Nucleotiden polymeriseren tot DNA en RNA. Suikers polymeriseren tot zetmeel en cellulose. Het type monomeer bepaalt het type polymeer.
De eigenschappen van een polymeer hangen af van het monomeer, de ketenlengte en de vertakking. Polyethyleen is flexibel en taai. Polystyreen is stijf en transparant. Nylon is sterk en elastisch. Elk polymeer heeft zijn eigen toepassingen. Door verschillende monomeren te kiezen en de polymerisatieomstandigheden te beheersen, kunnen chemici materialen ontwerpen met specifieke eigenschappen.
Monomeren worden ook gebruikt in de organische synthese. Ze kunnen worden gefunctionaliseerd, gecopolymeriseerd en verknoopt om materialen met specifieke eigenschappen te creëren. Het monomeer is het uitgangspunt. Het polymeer is het product.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment