Een signaal is een fysieke grootheid die informatie draagt. Het kan elektrisch, optisch of akoestisch zijn. Het varieert in de tijd. De variaties coderen gegevens. Een spanning die stijgt en daalt. Een lamp die aan en uit gaat. Een geluidsgolf waarvan de druk verandert. Het signaal is de boodschap.
Signalen kunnen analoog of digitaal zijn. Analoge signalen zijn continu. Digitale signalen zijn discreet. Beide dragen informatie over. Analoog staat dichter bij de fysieke wereld. Digitaal is gemakkelijker te verwerken en op te slaan. De meeste communicatie is tegenwoordig digitaal. Maar de fysieke wereld is analoog.
Signaalkenmerken
- Amplitude: sterkte van het signaal
- Frequentie: cycli per seconde
- Fase: timingoffset
- Bandbreedte: frequentiebereik
- Vermogen: energie per tijdseenheid
Signalen degraderen. Ze verzwakken. Ze nemen ruis op. Ze vervormen. Ingenieurs versterken, filteren en regenereren ze. Ze moduleren en demoduleren. Ze coderen en decoderen. Het signaal is de grondstof voor communicatie. Al het andere is verwerking.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment