Edward Jenner entte in 1796 een jongen in met koepokken en toonde aan dat dit hem beschermde tegen pokken. Het woord vaccin komt van het Latijnse vacca, wat koe betekent. Vaccins zijn biologische preparaten die immuniteit bieden tegen een ziekte. Ze trainen het immuunsysteem om een ziekteverwekker te herkennen en te bestrijden zonder de ziekte te veroorzaken. Ze behoren tot de grootste prestaties op het gebied van de volksgezondheid in de geschiedenis.
Er bestaan verschillende soorten vaccins. Levende verzwakte vaccins gebruiken een verzwakte vorm van de ziekteverwekker. Geïnactiveerde vaccins gebruiken een gedode ziekteverwekker. Subunitvaccins gebruiken een deel van de ziekteverwekker, zoals een eiwit. Toxoïdevaccins gebruiken een geïnactiveerd toxine. mRNA-vaccins gebruiken genetische instructies om een eiwit van de ziekteverwekker aan te maken. Elk type heeft voordelen en beperkingen.
Vaccins werken door een immuunreactie op te wekken. Het immuunsysteem produceert antilichamen en geheugencellen. Als de daadwerkelijke ziekteverwekker later toch verschijnt, reageren de geheugencellen snel en voorkomen ze de ziekte. Groepsimmuniteit treedt op wanneer voldoende mensen gevaccineerd zijn, waardoor de ziekteverwekker zich niet gemakkelijk kan verspreiden en degenen die niet gevaccineerd kunnen worden, beschermd worden.
Vaccins worden grondig getest op veiligheid en werkzaamheid. Ze worden gereguleerd door instanties zoals de FDA en het Europees Geneesmiddelenagentschap. Bijwerkingen zijn meestal mild en van tijdelijke aard. Ernstige bijwerkingen zijn zeldzaam. De voordelen wegen ruimschoots op tegen de risico's. Vaccins hebben de pokken uitgeroeid, polio bijna volledig uitgeroeid en het aantal sterfgevallen door mazelen, tetanus en hepatitis drastisch verminderd.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment