Hedgefondsen bundelen geld van vermogende beleggers en instellingen en volgen strategieën die traditionele fondsen vermijden. Het eerste hedgefonds, opgericht door Alfred Winslow Jones in 1949, combineerde longposities met shortposities om de marktblootstelling te verminderen. De naam bleef hangen, ook toen de strategieën zich vermenigvuldigden. Tegenwoordig handelen hedgefondsen in aandelen, obligaties, valuta, grondstoffen en derivaten, vaak met geleend geld.
De juridische structuur is belangrijk. In de Verenigde Staten zijn de meeste hedgefondsen besloten vennootschappen die alleen toegankelijk zijn voor geaccrediteerde beleggers en gekwalificeerde kopers. Dat beperkt de regulering. De fondsen kunnen gebruikmaken van hefboomwerking, short selling en geconcentreerde posities, iets wat beleggingsfondsen niet mogen. In ruil daarvoor accepteren beleggers een hoger risico en een beperkte mogelijkheid tot opname. Een lock-up periode van een jaar of langer is gebruikelijk.
De kosten zijn hoog. Het traditionele model is 2 procent van het vermogen plus 20 procent van de winst, hoewel de concurrentie sommige kosten heeft verlaagd. Beheerders beweren dat de kosten de belangen van beide partijen op één lijn brengen. Critici wijzen erop dat de meeste hedgefondsen na aftrek van kosten slechter presteren dan eenvoudige indexfondsen. Een minderheid behaalt spectaculaire rendementen en die beheerders trekken het grootste deel van het kapitaal aan.
Hedgefondsen hanteren niet één enkele strategie. Globale macrofondsen speculeren op rentetarieven en valutakoersen. Long-short aandelenfondsen selecteren winnaars en verkopen verliezers. Event-driven fondsen handelen in fusies en faillissementen. Kwantitatieve fondsen gebruiken algoritmes. De benaming beschrijft de structuur, niet de aanpak.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment