Het intelligentiequotiënt, of IQ, werd oorspronkelijk gedefinieerd als de verhouding tussen de mentale leeftijd en de chronologische leeftijd, vermenigvuldigd met 100. Een kind dat presteerde op het niveau van een gemiddelde 10-jarige en zelf 8 jaar oud was, zou een IQ van 125 hebben.
Moderne IQ-tests gebruiken niet langer de formule voor mentale leeftijd. In plaats daarvan vergelijken ze de prestaties van een individu met de prestaties van een grote, representatieve steekproef van dezelfde leeftijd. Het gemiddelde wordt vastgesteld op 100 en de standaardafwijking is doorgaans 15. De scores zijn ongeveer normaal verdeeld. Tests zijn gestandaardiseerd en de normen worden periodiek bijgewerkt om rekening te houden met veranderingen in de bevolking.
IQ-scores voorspellen academische prestaties en, in mindere mate, succes op de arbeidsmarkt. Ze zijn minder voorspellend voor creativiteit, praktische vaardigheden of emotionele aanpassing. Scores kunnen veranderen met de ontwikkeling, het onderwijs en interventies, vooral in de kindertijd. Er bestaat controverse over de interpretatie van groepsverschillen en de mogelijke culturele vooringenomenheid in de inhoud en afname van tests.
Een IQ-score is een samenvatting van de prestaties op een bepaalde reeks taken in vergelijking met een normgroep. Het is een nuttige voorspeller, maar geen volledige maatstaf voor iemands waarde of potentieel.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment