In het midden van de negentiende eeuw verklaarde een jonge koopman genaamd Mirza Husayn-Ali zichzelf tot drager van een nieuwe openbaring. Hij nam de titel Bahá'u'lláh aan, "Glorie van God", en leerde dat de grote wereldgodsdiensten opeenvolgende hoofdstukken waren in één enkel goddelijk leerplan. Het Bahá'í-geloof is uit die bewering voortgekomen.
De centrale overtuigingen van Bahá'u'lláh zijn de eenheid van God, de eenheid van religie en de eenheid van de mensheid. Profeten zoals Abraham, Mozes, Jezus, Mohammed en de Boeddha worden allen beschouwd als manifestaties van dezelfde goddelijke wil, elk passend bij het tijdperk waarin hij verscheen. Bahá'u'lláh zelf pleit in zijn geschriften voor de uitroeiing van vooroordelen, de gelijkheid van mannen en vrouwen, universeel onderwijs en een wereldwijd federaal systeem dat in staat is vrede te waarborgen. Het geloof kent geen geestelijkheid; lokale en nationale geestelijke raden, gekozen door de gemeenschap, verzorgen het bestuur, en een Universeel Huis van Rechtvaardigheid in Haifa geeft leiding aan de wereldwijde gemeenschap.
Vervolging heeft de geschiedenis van de Bahá'í-gemeenschap vanaf het begin getekend. Vroege gelovigen in Iran werden gevangengezet en geëxecuteerd; dit patroon zet zich in mildere of scherpere vormen voort in verschillende landen. Ondanks deze druk heeft de gemeenschap zich verspreid over de meeste landen en telt ze enkele miljoenen aanhangers. Dagelijks gebed, een jaarlijkse vastenperiode en een kalender van negentien maanden bepalen het privé- en gemeenschapsleven van de Bahá'í's.
Het geloof presenteert zich niet als een breuk met het verleden, maar als de meest recente fase in een zich ontvouwende dialoog tussen het goddelijke en het menselijke.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment