Bij genetische manipulatie is een vector een drager die genetisch materiaal in een gastcel brengt. Het is het middel dat een gen transporteert naar een cel waar het kan worden gerepliceerd of tot expressie gebracht. De meest gebruikte vectoren zijn plasmiden, maar ook virussen, cosmiden en kunstmatige chromosomen worden gebruikt. De keuze hangt af van de grootte van het gen, de gastcel en het doel.
Vectoren moeten aan verschillende eisen voldoen. Ze moeten zich kunnen vermenigvuldigen in de gastcel. Ze moeten een selecteerbare merker hebben, meestal een antibioticumresistentiegen, zodat cellen die de vector hebben opgenomen, kunnen worden geïdentificeerd. Ze moeten een kloonsite hebben waar het gen van belang kan worden ingevoegd. Ze moeten het gen naar het juiste compartiment van de cel kunnen transporteren. Voor expressie hebben ze een promotor en andere regulerende elementen nodig.
Virale vectoren worden gebruikt voor gentherapie. Lentivirussen integreren hun genetische lading in het gastheergenoom, wat zorgt voor langdurige expressie. Adenovirussen integreren niet, waardoor de expressie tijdelijk maar veiliger is. Adeno-geassocieerde virussen zijn klein, niet-pathogeen en in staat tot langdurige expressie in niet-delende cellen. Elk type virus heeft voordelen en risico's.
Het woord 'vector' heeft in de context van infectieziekten nog een andere betekenis. Een vector is een organisme, zoals een mug of teek, dat een ziekteverwekker van de ene gastheer op de andere overdraagt. De twee betekenissen zijn verwant: beide duiden op dragerschap. De context bepaalt welke betekenis bedoeld wordt.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment