In het dagelijks spraakgebruik is een argument een ruzie. In de filosofie is het een structuur. Een argument is een reeks beweringen waarin sommige, de premissen genoemd, worden aangevoerd ter ondersteuning van een andere, de conclusie genoemd. De premissen moeten redenen geven om de conclusie te accepteren. Of ze daarin slagen, is een andere vraag.
Argumenten komen in twee hoofdvormen voor. Deductieve argumenten zijn erop gericht hun conclusies te garanderen: als de premissen waar zijn en de vorm geldig is, moet de conclusie ook waar zijn. Inductieve argumenten zijn erop gericht hun conclusies waarschijnlijk te maken. Een deductief argument kan geldig maar onjuist zijn als een premisse onwaar is. Een inductief argument kan sterk of zwak zijn, afhankelijk van de mate waarin de premissen ondersteuning bieden. Filosofen maken onderscheid tussen geldigheid, die betrekking heeft op de vorm, en deugdelijkheid, waarvoor zowel een geldige vorm als ware premissen vereist zijn. Ze maken ook onderscheid tussen argumenten en verklaringen, die de conclusie veronderstellen en proberen aan te tonen waarom die zo is.
Onderdelen van een argument
- Uitgangspunten. Verklaringen aangevoerd als redenen.
- Conclusie. De stelling wordt ondersteund.
- Inferentie. Het verband tussen premissen en conclusie.
- Geldigheid. Of de conclusie noodzakelijkerwijs volgt.
- Deugdelijkheid. Geldigheid plus ware uitgangspunten.
Een argument herkennen betekent de conclusie vinden en je afvragen wat die conclusie ondersteunt. Die vaardigheid is essentieel in de filosofie, het recht, de wetenschap en bij het nemen van dagelijkse beslissingen.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment