Boodschappen doen, een film streamen, naar de kapper gaan, tanken. Deze handelingen, het gebruik van goederen en diensten, vormen consumptie en zijn in de meeste economieën de belangrijkste motor van de groei. Huishoudens consumeren, en hun bestedingsbeslissingen hebben gevolgen voor fabrieken, magazijnen en salarissen.
Economen verdelen consumptie in categorieën. Duurzame goederen zoals auto's en huishoudelijke apparaten gaan jaren mee. Niet-duurzame goederen zoals voedsel en brandstof worden snel verbruikt. Diensten zoals verzekeringen en medische zorg zijn immaterieel. De samenstelling verandert naarmate landen rijker worden. Arme huishoudens besteden het grootste deel van hun inkomen aan voedsel en onderdak. Rijke huishoudens besteden meer aan diensten en vrije tijd.
Consumptie is afhankelijk van inkomen, maar niet alleen van inkomen. Vertrouwen speelt een rol. Een huishouden dat bang is voor ontslagen zal bezuinigen, zelfs als het salaris gewoon blijft binnenkomen. Vermogen is ook belangrijk: wanneer de huizenprijzen stijgen, voelen huiseigenaren zich rijker en geven ze meer uit. Dat vermogenseffect kan een economie stimuleren, en een omslag ervan kan een economie juist naar beneden halen.
Drijfveren van consumptie
- Beschikbaar inkomen
- Consumentenvertrouwen
- Rentetarieven en toegang tot krediet
- Huishoudvermogen
- Verwachtingen over de toekomst
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment