De sluitertijd is de tijdsduur dat de camerasluiter open blijft. Deze wordt gemeten in fracties van een seconde, van 1/8000 seconde tot enkele seconden of meer. Een snelle sluitertijd bevriest beweging. Een trage sluitertijd zorgt voor onscherpte. De keuze hangt af van het onderwerp. Een hardlopende atleet heeft een sluitertijd van 1/1000 seconde of sneller nodig. Een waterval krijgt een zijdezacht effect bij een sluitertijd van 1/4 seconde. Een nachtelijke hemel legt sterrensporen vast bij een sluitertijd van 30 seconden. De sluitertijd is een van de drie variabelen in de belichtingsdriehoek, samen met het diafragma en de ISO-waarde.
De sluitertijd beïnvloedt meer dan alleen beweging. Het heeft ook invloed op de belichting. Een langere sluitertijd laat meer licht binnen, wat handig is bij weinig licht. Maar het verhoogt ook de kans op camerabeweging. De vuistregel is om een sluitertijd te gebruiken die minstens zo snel is als het omgekeerde van de brandpuntsafstand. Een 50mm-lens heeft minstens 1/50 seconde nodig. Een 200mm-lens heeft minstens 1/200 seconde nodig. Beeldstabilisatie maakt langere sluitertijden mogelijk. Een statief lost het probleem volledig op. De sluitertijd is ook een creatief hulpmiddel. Het bepaalt hoe de tijd in een foto wordt weergegeven. Een snelle sluitertijd bevriest een moment. Een lange sluitertijd laat het verstrijken van de tijd zien.
Handleiding voor sluitertijd
- 1/1000 en sneller. Bevriest snelle actie.
- 1/250 tot 1/500. Algemene actie en opnamen uit de hand.
- 1/60 tot 1/125. Alledaagse scènes en portretten.
- 1/15 tot 1/30. Vervaagt beweging, vereist een vaste hand.
- 1 seconde en langzamer. Lange belichtingstijden, vereist een statief.
Sluitertijd is niet hetzelfde als belichtingstijd. Belichtingstijd is de totale tijd dat het licht de sensor bereikt. Sluitertijd is de instelling die deze tijd regelt.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment