Een injectie brengt een geneesmiddel rechtstreeks in het lichaam, waardoor het spijsverteringsstelsel wordt omzeild. Dit maakt het snel, voorspelbaar en nuttig voor geneesmiddelen die door maagzuur zouden worden afgebroken of slecht zouden worden opgenomen. Er zijn verschillende toedieningsroutes. Een intraveneuze injectie wordt in een ader toegediend en werkt binnen enkele seconden. Een intramusculaire injectie wordt in een spier toegediend, zoals de deltaspier of de dijspier, en wordt binnen enkele minuten tot uren opgenomen. Een subcutane injectie wordt in de vetlaag onder de huid toegediend en wordt langzamer opgenomen. Een intradermale injectie wordt in de bovenste huidlaag toegediend en wordt gebruikt voor sommige vaccins en allergietesten.
Elke toedieningsroute vereist eigen apparatuur en techniek. Bij intraveneuze injecties wordt een naald of katheter in een ader geplaatst. Bij intramusculaire injecties wordt een langere naald gebruikt om de spier te bereiken. Subcutane injecties worden toegediend met een korte, dunne naald. Het volume dat kan worden geïnjecteerd varieert: intraveneus is het mogelijk om grote volumes toe te dienen, terwijl subcutaan injecties beperkt zijn tot enkele milliliters. Steriele techniek is essentieel. Prikaccidenten en infecties kunnen worden voorkomen met de juiste voorzorgsmaatregelen.
Algemene aandachtspunten:
- Route. IV, IM, subcutaan, intradermaal.
- Aanvang. IV werkt het snelst, subcutaan het langzaamst.
- Volume. IV kan grote volumes toedienen; subcutaan niet.
- Rotatie van de injectieplaats. Herhaalde injecties op dezelfde plek kunnen weefselschade veroorzaken.
Patiënten met diabetes, reumatoïde artritis en andere chronische aandoeningen injecteren zichzelf vaak thuis. Training en een correcte afvoer van injectienaalden zijn hierbij belangrijk.
Comments
No comments yet. Be the first to share a thought.
Leave a comment